In de oorlog ging mijn oma op hongertocht met haar 12-jarige dochtertje en een buurvrouw. Wat ze niet wist, is dat ze zwanger was van een tweeling. Ze kwam in Utrecht in het ziekenhuis terecht. Haar dochter ging verder, op zoek naar voedsel. Het werd een toch vol angst, ontberingen en onverwachte vriendelijkheid.
De oorlog is voor mij een generatie geleden. Mijn vader herinnerde zich vooral de honger en de kou uit die tijd. Hij was zeven jaar in de hongerwinter. Hoe ernstig hij eraan toe was realiseerde hij zich pas veel later, toen in Afrika een hongersnood uitbrak. Beelden van broodmagere kinderen verschenen op de televisie. ‘Dat was ik!’ riep hij dan. ‘Een Biafrakindje!’ Mijn broer en ik, toen tieners, staken er de draak mee. Voor ons was de oorlog ver weg.
Het gezin van mijn vader bestond in 1945 uit zeven personen. Ze woonden in de Oude Plaats in Capelle aan den IJssel. Mijn opa werkte voor de oorlog bij de scheepswerf, maar was ondergedoken vanwege de arbeitseinsatz. Mijn oma Anthonia was alleen thuis met vijf kinderen.

Het was maart, en ijskoud. Het vroor en het sneeuwde. Er was geen voedsel, geen kleding en geen brandstof om het huis nog een beetje warm te houden. De honger greep om zich heen in de regio Rotterdam.
Boterhammen in een koffertje
Wanhopig besloot mijn oma om op pad te gaan. Ze nam dochter Tiny mee die toen 12 jaar was. Ook een buurvrouw ging mee. Haar oudste van dertien zorgde voor het gezin dat achterbleef. Ze had nog wat borstels en bezems als ruilmateriaal. Voor onderweg deed zij een paar boterhammen in een koffertje, en vertrok met een handkar.
Tiny vertelt: “We vertrokken heel vroeg in de morgen. Het was koud, het vroor, er lag nog sneeuw en we liepen op klompen. Bij Gouda kwamen we drie hongerige kinderen tegen, die vroegen of we iets te eten hadden. Moeder haalde voor ieder een boterham uit haar koffertje. Buurvrouw protesteerde, maar moeder zei, wij hebben nog iets, zij hebben niets!

Laat in de avond kwamen we in Utrecht aan. We kregen een slaapplaats in een klooster. Daar waren zalen ingericht met bedden, speciaal voor de mensen die daar langskwamen op zoek naar eten. Uitgeput ben ik in slaap gevallen. Toen was er opeens herrie en heen en weer geloop, er was iemand ziek geworden. Tot mijn grote schrik bleek het mijn moeder te zijn! Ze was zwanger, maar dat wist ik niet. Dat wist je vroeger nooit. Moeders droegen vormeloze schorten, dus je zag het niet. Er werd niet over gesproken. Ze moest naar het ziekenhuis, want ze was gaan vloeien. Bij gebrek aan ander vervoer werd ze op een handkar gelegd. Er zat een soort huif overheen, alleen haar voeten staken eruit. Dat beeld ben ik nooit meer kwijtgeraakt, die kar waar moeders voeten uit staken, vreselijk vond ik dat.
Daar stond ik dan, bang, met een buurvrouw die ik nauwelijks kende, en die ik ook niet zo aardig vond. Het klikte niet erg tussen ons. We gaan naar huis, zei ze, maar dat wilde ik niet. Ik voelde me heel verantwoordelijk, en dan kwam ik terug zonder eten voor mijn broertjes en zusjes. Ik wilde verder.
Plat op de grond liggen
Ik had natuurlijk geen idee van wat me te wachten stond. We zijn verder gelopen in de richting van Otterloo. Onderweg kwamen we mensen tegen die in elkaar gezakt waren en op straat lagen. Regelmatig hoorden we schieten, dan moesten we plat op de grond in de berm gaan liggen. Vooral vlakbij spoorlijnen en stations was het gevaarlijk, daar schoten de Engelsen op de Duitsers. Ik heb eens bijna een handgranaat opgeraapt. Mensen zagen dat en begonnen te gillen, toen heb ik het gelukkig niet gedaan.
Voor de nacht moesten we een onderdak zoeken, soms sliepen we bij een boer in het hooi. Sommige gemeentes hadden slaapplaatsen ingericht voor voorbijtrekkende mensen, er waren er heel wat op pad. Soms sliepen we in een school. Eenmaal in een kippenhok waar een potkacheltje brandde, heerlijk om je aan te warmen. Soms kregen we ergens iets te eten, ook wel eens vieze, overgebleven prakjes van de kinderen met de neuspeuters er nog in. Hoewel ik honger had kon ik dat toch niet door mijn keel krijgen.
Onder de luizen
We hadden natuurlijk geen schone kleren bij ons, we stonken en zaten onder de luizen. Vanaf Utrecht hebben we dertien dagen gelopen. Toen gingen we bij Renkum de Rijn over met de pont. Dat mocht eigenlijk niet, de ponten voeren alleen voor de Duitsers, voor wagens met voorraad. We zaten half verborgen onder een paard-en-wagen, we hadden gewacht tot het wisselen van de militaire wacht, en het lukte!
Toen gingen we naar de boeren om eten te ruilen voor borstels en bezems. Dat wil zeggen, ik werd eropuit gestuurd, de buurvrouw ging achter een boom staan. Ze rekende erop dat ze eerder een meisje van twaalf iets zouden geven. Ongeveer vijf dagen hebben we daar rondgetrokken. De boeren waren niet allemaal aardig, soms werd ik weggescholden, of met heel weinig afgescheept. Maar we hadden toch aardig wat op ons handkarretje liggen.

Toen moesten we terug over het water. Daar stonden we bij de pont met een handkar met eten. Er stond ook een paard-en-wagen. Die man zei, stop je spullen maar bij mij onder de zitting, anders pakken de moffen het af. Aan de overkant neem je het dan weer over. Dat was een kwestie van vertrouwen, maar we hadden geen keus. Hij ging als eerste op de pont, toen wij met een lege handkar. Eerst mochten we niet mee, maar de buurvrouw zei dat ik ziek was en naar huis moest. Er was een aardige Duitser die medelijden kreeg en toen mochten we op de pont. Aan de overkant was het even spannend. De man was een stuk doorgereden, maar stond toch op ons te wachten.
Niet eerlijk
Toen begon de lange wandeling naar Utrecht, want ik wilde natuurlijk naar het ziekenhuis. Daar lag moeder nog, ze mocht nog niet naar huis. En verder ging onze tocht op weg naar huis. Eindeloos lopen, lopen, lopen… Toen we vlak bij Gouda waren kwamen twee mannen op de fiets ons tegemoet. Het waren mijn vader en de buurman. Ik ben nog nooit zo blij geweest bij het zien van mijn vader, en ik had zoveel te vertellen. Mijn vader begeleidde ons naar huis, af en toe mocht ik een stukje fietsen. Triomfantelijk kwamen we in de Oude Plaats aan, iedereen kwam kijken!
Toen moest alles verdeeld worden tussen mij en de buurvrouw. Maar dat ging niet eerlijk! Het meeste had ik opgehaald en de borstels en bezems waar we mee ruilden waren van mij. Dat gezin was met z’n drieën, en wij waren met z’n zevenen. Ik weet nog dat ik met mijn zus een groot roggebrood doormidden zaagde met een trekzaag, want buurvrouw moest de helft hebben. Die buurvrouw heb ik nooit meer aangekeken!”
Echte luchtbanden
Hoe ging het verder? Tiny’s moeder – mijn oma – lag nog in Utrecht in het ziekenhuis. Ze mocht later naar huis, als ze heel kalm aan zou doen. Maar er was geen vervoer. Haar jongere zus Lena wist raad. Ze wist aan een fiets met echte luchtbanden te komen, en fietste naar Utrecht. En daarna terug, met haar zwangere zus achterop.
Ook na de oorlog was nog aan alles gebrek. De baby’s hadden kleertjes nodig en luiers en nog veel meer. Gelukkig kreeg het gezin een pakket van de HARK (Hulp Aktie Rode Kruis). Omdat mijn oma heel handig was maakte ze daar van alles van, zelfs nog kleren voor haar andere kinderen. Voor onderzoek moest ze vaak naar dr. Hooimeyer, aan de Avenue Concordia in Rotterdam: anderhalf uur lopen!
De zwangerschap liep goed af, want op vijftien augustus 1945 werden in het Bethesda ziekenhuis ziekenhuis twee jongetjes geboren.
Het verhaal van Tiny is in 2012 opgetekend door Wil van Kooij.
