Het voorjaar begint, en vroeger was dat tijd voor de Grote Schoonmaak. In de jaren dertig was dit een serieuze zaak. Vooral in een huis zonder elektriciteit en stromend water!
Mijn grootouders woonden met hun enige dochter Willempje in een afgelegen huis aan de Groenendijk in Capelle aan den IJssel. Mijn opa was houtbaas bij Houthandel IJpema. Op deze plek vind je nu jachthaven ’t Zandrak en restaurant De Beren.
Mijn moeder Wil van Kooij-Seinstra schreef en prachtig verhaal over de jaarlijkse grote schoonmaak: “Hoewel mijn moeder niet tot het ras der poetsende huisvrouwen behoorde, kreeg ze toch altijd in het voorjaar, als de vogels een nestje gingen bouwen, iets onrustigs over zich. Er moest schoongemaakt worden! Dat kondigde zich voor mij aan als ik hoorde dat er een hulp werd aangenomen. De schrik sloeg mij, en mijn vader, om het hart!

De vliering
Er werd begonnen met de vliering, een stoffige boel, want verder werd daar het hele jaar niet meer naar omgekeken. Dat was voor mij spannend, want je wist nooit wat er vanaf zou komen. Een keer verscheen er een slingergrammofoon met een stapel bakelieten platen, alles dik onder het stof. Ik sjouwde hem mee naar beneden en maakte hem zo goed als ik kon schoon. Mijn vader leerde me hoe ik aan de slinger moest draaien. Caruso, Willie Derby, en nog vele anderen klonken door de kamer, ik kon er geen genoeg van krijgen.
Maar het muzikale wonder werd snel in een hoek gezet, want ik moest helpen.
Er kwam nog veel meer van de vliering, oude kleren en kleine meubels, een stoof en een olielamp, en alles moest gestoft of uitgeklopt, en dat kon Willie mooi doen. Dus zat ik in de zon te poetsen, terwijl binnen geraagd en gesopt werd. Toen het schoon en droog was op de vliering ging alles weer terug, behalve de grammofoon.
De kinderslaapkamer
Daarna kwam mijn slaapkamertje aan de beurt. Mijn vader werd van de vlotten geroepen want het houten ledikant moest uit elkaar. Het hoge hoofdeind en het lagere voeteneind werden samen met de zijkanten buiten in de zon gezet, met de matrassen, het kapokbed, de peluw, de kussens en de dekens. Mijn moeder en haar hulp gingen eerst met de raagbol tekeer, daarna sopten ze het plafond, de openslaande ramen, de deur en de deurposten. Het laatst werd de vloer gedweild. We hadden geen elektriciteit dus ook geen stofzuiger, dus alles ging ‘met nat’.
Terwijl dat allemaal droogde door alle ramen tegen elkaar open te zetten, gingen ze buiten aan het werk. De stugge matrassen van zeegras werden uitgeklopt. De dekens wapperden aan de waslijn en kregen ook stevig met mattenklopper! ’s Avonds werd het bed weer opgemaakt. In de avond was mijn moeder heel moe. We aten iets makkelijks en de grote mensen dronken een borreltje, een glaasje brandewijn met suiker of een advokaatje. Die nacht sliep ik heerlijk, alles was zo zacht en geurde zo fris.

De grote slaapkamer
De volgende dag begon alles opnieuw, nu was de grote slaapkamer aan de beurt. Weer een ledikant uit elkaar en alles naar buiten, gelukkig scheen nog steeds de zon. Ook alle kleren gingen naar buiten om te luchten, een heel gesjouw, twee trappen af. De linnenkast was vanbinnen een paar dagen eerder al gedaan, die bleef gewoon staan. Het was een mahoniehouten kast die nog van de zalmvisserij kwam waar ik ben geboren.
Wel werd hij gewreven tot hij glom als een spiegel. Dat gold ook voor de toilettafel aan de andere kant van de kamer, waar het lampetstel op stond. Dat was een grote ronde kom met een waterkan erin gezet en ook nog een kammenbakje en een zeepbakje. We hadden immers geen waterleiding.
Er waren twee openslaande ramen die uitkeken op de IJssel, aan de overkant van de rivier zag je het poldergemaal, en de slager, en een kleine scheepswerf. De buitenkant zemen was best gevaarlijk, je balanceerde dan tussen hemel en aarde, dus dat gebeurde niet zo vaak. Dan werd het weer plafond soppen en de deur en de ramen en de muurkasten, wat een werk allemaal! Tussen de middag waren de vrouwen al moe, en dan moest nog alles uitgeklopt en weer naar boven gesjouwd worden. Ik bleef meestal een beetje uit de buurt en bekeek het vanuit de verte.
De speelkamer
Maar toen werd het mijn beurt, mijn speelkamertje moest gedaan. Dus zette ik al mijn poppen en meubeltjes en boeken en spelletjes op de overloop. Er was ook nog een muurkast vol spullen, mijn kleren en schoenen en zo. Veel ging weer naar buiten want luchten was heilig, en toen alles was gesopt mocht ik weer inruimen. Tijd voor een paar dagen pauze, de volgende week gingen ze weer verder.
De voorkamer
Die maandag was de voorkamer aan de beurt. We hadden stoelen met van die losse, stoffen zittingen met metalen veren erin, die kussens gingen in de voortuin. Het hout werd in de was gezet net als de tafel. De haard werd dan bij de marmeren schoorsteenmantel vandaan gehaald en door mijn vader schoongemaakt. Iemand raagde flink heen en weer met een borstel aan een touw door het schoorsteenkanaal. Beneden moest het roet worden opgevangen in een zak of in een krant. Degene die op het dak stond riep dan een waarschuwing in de schoorsteen. Soms ontstond er een misverstand en kreeg de man beneden alles in zijn gezicht, zodat hij roetzwart en luid vloekend naar buiten vloog!
Doordat de kachels soms rookten als de wind in de schoorsteen sloeg waren de plafonds flink vuil geworden. De voorkamer had een mooi houten plafond dat in vakken was verdeeld van verschillende soorten hout, een soort cassetteplafond. Dat schoonmaken was zwaar werk, je moest er flink op poetsen en dat boven je hoofd. Meestal kwam mijn vader daarvoor van de palen af. Mijn moeder vond dat mannenwerk. De vrouwen sopten de deuren en het andere houtwerk en dweilden de vloer.

Er waren glazen schuifdeuren die ook gezeemd moesten worden en drie ramen, met mooie glas-in-lood bovenramen en houten luiken aan de buitenkant. Alles werd uit de servieskast gehaald om schoon te maken. Dat vond ik prachtig, mooie glazen en schalen en serviesgoed, allemaal nog van de visserij. Moeder vertelde hoe de Deutsche Rüderverein aanlegde en zalm kwam eten in de grote eetkamer van de zalmvisserij in Pernis en de tafels mooi gedekt werden. Maar de stoel waar Bismarck nog op had gezeten was naar een ander gegaan!
Het vloerkleed werd uitgeklopt, de stoelzittingen geborsteld en alles weer ingeruimd.
Weer een dag voorbij.
De woonkeuken
Toen was de beurt aan de woonkeuken. Aan de kant van het water was een erker die de kamer heel licht maakte, en waardoor je de rivier zag tot aan Hitland toe, en Krimpen en Ouderkerk. Er stond een grote houtkachel die in de winter onze warmtebron was en waar moeder ook op kookte Hij stond in een soort schouw en daarboven hing een spiegel. Ernaast was het aanrecht met de pomp, waarmee we water uit de regentank in het onderhuis omhoog pompten. Twee planken met pannen erboven, twee kastjes eronder. Die werden ook schoongemaakt, alles eruit, kastjes uitboenen, alles er weer in.
Er stond een eettafel en vier stoelen, erboven hing een olielamp die af en toe ook flink kon roeten als het kousje niet goed was bijgeknipt. In de erker stond een klein tafeltje en twee armstoelen. Tussen de twee kamers in stond een glazen theekastje met een theeservies erop en bonbonschaaltjes en koektrommels erin.
Het plafond in dit vertrek was licht geverfd, dus mijn vader had wel een paar uur nodig om dat toonbaar te maken. Hij stond op de trap en ik gaf hem afwisselend sopdoeken en schoonwaterdoeken aan. Hij wist in ieder geval goed waar hij gebleven was! De vrouwen maakten in die tijd de meubels schoon en zetten ze in de was. De schilderijen gingen van de muur en werden ook gesopt, de spiegel gezeemd en alles in de schone voorkamer gezet.
s‘ Avonds aten we een boterham. Alles stond weer op zijn plaats. Moeder ging zuchtend onze geit melken en daarna naar bed.

Het toilet
Het toilet, dat is een verhaal apart. We hadden een keurige toiletpot in een hokje onder aan de trap, met een klein raampje, zoals het hoort. Maar er ontbrak iets, de stortbak. We hadden geen stromend water, dus dat was zinloos. Daarom stond er altijd een emmer in het toilet, als je er gebruik van wilde maken moest je eerst de emmer vullen bij de pomp. Na gedane zaken gooide je de inhoud achter je producten aan. En dan was het de bedoeling dat je de emmer weer vulde voor je opvolger. Maar daar zat de klad in! Het toilet loosde op de rivier en dat liep niet altijd even vlot door, vooral niet in de winter, als het had gevroren. Maar nu was het schoonmaak, dus werd ook daar geboend en gesopt.
Het kantoor
De volgende dag was het kantoor aan de beurt. Dat was het heiligdom van mijn vader. Vanuit de twee ramen kon hij de rivier en de palenhaven overzien. Er stond een groot bureau met indrukwekkende laden en een groen leren schrijfvlak bovenop. Twee met groen leer beklede stoelen maakten het interieur af. Hier ontving hij de klanten die hout kwamen bestellen, en ’s avonds zat hij er te schrijven in vuistdikke voorraadboeken.
De telefoon was een kastje met een slinger aan de muur. Als je aan de slinger draaide meldde zich de telefoonjuffrouw uit het postkantoortje aan de dijk in het dorp. Die verbond je door.
Het onderhuis
Een blauwgeverfde houten trap leidde naar een altijd enigszins muf ruikend ruimte onder het huis. Daar had je het aardappelhok en het kolenhok. In de winter stonden en er vaten met zuurkool en zoute bonen. Op een zelf getimmerde houten tafel drie petroleumstellen waarop in de zomer werd gekookt. Naast de gemetselde regentank een groot fornuis, waarop op wasdag een teil water werd gewarmd.
De echte schoonmaak was niet tot hier doorgedrongen, want daar was geen beginnen aan. Het plafond was zwart van de roetende petroleumstellen en iedereen liep er met zijn modderlaarzen gewoon binnen. Flink vegen met een grote bezem moest maar genoeg zijn. De regenwatertank werd af en toe schoongeboend. Een van de vlotters kroop er dan in en mijn vader gaf borstels en doeken en schoon water aan.
Die dag was het einde van de voorjaarsschoonmaak.
Al schrijvend over de schoonmaak was ik even in het huis van mijn jeugd. Al dat poetsen was tevergeefs, want het is al jaren geleden van de aardbodem verdwenen. Alleen ik weet nog precies waar het gestaan heeft, het lijkt een herinnering van eeuwen geleden. En toch lijkt het ook pas gisteren.”
Opgetekend door Wil van Kooij-Seinstra, april 2008.
