1 februari 1953: een dubbeltje op zijn kant

Dat de Watersnoodramp in Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden heeft huisgehouden weet iedereen wel. Minder bekend is dat de rest van de provincie Zuid-Holland op het nippertje aan de ramp ontsnapte. De dijk tussen Capelle en Nieuwerkerk aan den IJssel hield het maar nét. Een verhaal over een heldhaftige schipper en een bijna verdronken geit.

Mijn moeder Wil van Kooij woonde in 1953 met haar ouders in een afgelegen huis aan de Groenedijk in Capelle aan den IJssel. Ze schreef een verhaal over die nacht in 1953: “We namen die zaterdagavond de laatste bus vanuit Rotterdam naar Capelle, mijn vriend en ik. Mijn vriend was militair en had weekendverlof. De bus schudde heen en weer op de vlagen van de wind, we reden over de dijk langs hoog water met woeste golven. Prachtig vonden we het!

Mijn oma kijkt uit over de Hollandsche IJssel vanuit het huis aan de Groenedijk, jaren 50. Bron: familiearchief.

De wandeling over de onverharde Groenedijk op weg naar mijn huis aan de palenhaven was minder prachtig. Het scheelde telkens maar een haar of we waaiden van de dijk af. Het water klotste wel akelig hoog tegen de kruin van de dijk, soms sloegen de golven er overheen. We worstelden van de ene telefoonpaal naar de andere, wanneer we er een hadden bereikt klemden we ons eraan vast en hijgden een tijdje uit. De telefoondraden waren gebroken en hingen over  de dijk heen. Toch was ik niet bang. Ik ben opgegroeid met water en wind en ik vond het spannend. Mijn vriend niet, die verloor zijn uniformpet en moest daar op handen en voeten achteraan. Hij kwam uit de stad en hield niet van al dat geweld. Eindelijk bereikten we ons huis.

Toen we de warme woonkeuken binnenstrompelden was het eerste dat we daar zagen de geit Manestraal. Zij stond op een oud kleed naast de kachel en dampte nog een beetje. Moeder vertelde in tranen dat zij het zo druk hadden gehad met het leegruimen van het onderhuis, dat ze te laat aan de geit dachten. Mijn vader is toen door het kolkende water in onze tuin naar het geitenhok gewaad en trof onze arme Manestraal aan, met nog net haar neus boven water. Ze voelden zich schuldig en namen haar mee naar binnen, en daar stond ze dan en liet vrijelijk haar zwarte keuteltjes in het rond rollen!

Als je door de erkerramen naar buiten keek zag je daar een woeste rivier, de vlotten in de haven waren van hun plaats gedreven en losse palen verdwenen in de verte. Vlak voor de ramen lag de motorboot, ook losgeslagen en door mijn vader met veel moeite te en alweer een nat pak aan de appelboom afgemeerd. Hoe het verder in het land toeging, daarvan hadden wij geen idee. We hadden geen elektriciteit, dus ook geen radio en de telefoon was kapot.”

Verderop aan de Groenedijk was de situatie precair. De overharde dijk dreigde het te begeven onder het aanhoudende geweld van de storm en het beukende water. Met man en macht werden er zandzakken aangedragen. Om half zes ‘s ochtends sloeg er tussen Capelle en Nieuwerkerk een gat in de dijk van 15 meter breed. Als laatste redmiddel heeft schipper Evegroen zijn schip De Twee Gebroeders in de dijk gevaren. De dijk hield het. Dat was maar goed ook, want bij een doorbraak waren de polders tot aan Alphen aan den Rijn volgestroomd. Op deze plek staat nu een monument met de toepasselijke naam ‘een dubbeltje op zijn kant’. Tegenwoordig beschermt de stormvloedkering bij de Algerabrug het achterland. De kering werd in 1958 opgeleverd als eerste van de Deltawerken. De schuiven worden ook nu nog regelmatig gesloten bij springtij, storm en hoogwater.

Het monument ‘Een dubbeltje op zijn kant’ langs de Groenedijk in Nieuwerkerk aan den IJssel.

Terug naar 1953. Hoe ging het verder met mijn moeder, haar militair en geit Manestraal? “De andere morgen was het water iets gezakt. Langs de dijk kwam een eenzame figuur; het was één van de houtvlotters die kwam kijken hoe de zaken erbij stonden. Toen hij mijn vriend zag zij hij: ‘Wat doe jij hier? Je had allang bij je onderdeel moeten zijn, het hele leger is teruggeroepen!’. Toen kregen we te horen wat er zich in Zeeland had afgespeeld en het was nog aan de gang.

Na het weekend ging ik weer terug naar de kunstacademie. Daar waren al plannen om werk te verkopen ten bate van de slachtoffers. Samen met een jaargenoot werkte ik ’s nachts in de kelders van het Groothandelsgebouw in Rotterdam, babykleertjes uitsorteren en bestellingen uitzoeken. Wat werden er een mooie dingen weggegeven en zo veel! Later kwamen er foto’s van de ramp en het besef dat we geboft hadden in ons eenzame huis aan de Groenedijk. Zelfs Manestraal kon het navertellen en beviel nog dat voorjaar van twee gezonde dochters.”

Manestraal en haar jonkies. Op de achtergrond het huis van mijn opa en oma, Groenedijk 18. Bron: familiearchief.

Plaats een reactie