Voor het transport van hout richting Rotterdam werd eeuwenlang gebruik gemaakt van vlotten, die uit Duitsland de rivieren af kwamen drijven. Soms waren het enorme constructies, waar complete huisjes, keukens en voorraadschuren op werden gebouwd. Hele dorpen dreven zo de grote rivieren af.
Ook in de palenhaven in Capelle aan den IJssel kwamen vanaf 1935 de houtvlotten aan, die vervolgens uit elkaar werden gehaald. Mijn moeder Willempje Seinstra beschrijft hoe zo’n vlot aankomt bij het haventje in Capelle aan den IJssel.
“Soms hoorde je ze van verre al aankomen, dan waren ze nog maar bij Capelle en moesten de hele bocht nog door. Het was moeilijk manoeuvreren met zo’n log gevaarte van op elkaar gestapelde boomstammen. Er stond een sleepboot voor en midden op het vlot was een provisorische hut gebouwd, daar sliepen die mensen in. Rondom de hut lag het vol met lege flessen, want de nachten waren koud en schnapps gaat er altijd wel in. Wat konden die mannen schreeuwen! Alles was in rep en roer. De boom, die de haveningang afsloot werd weggevaren, onze sleepboot ging de rivier op om het vlot te helpen omduwen en iedereen rende met touwen en pikhaken heen en weer.”

Hout werd eeuwenlang in vlotten over de rivieren vervoerd. Vooral de vlotten van weleer – zo tot en met de 19e eeuw – spreken nogal tot de verbeelding. Ze waren soms wel 600 meter lang en 50 meter breed en bestonden uit duizenden boomstammen. Tot 500 man voer er op mee. Er werden een slaapzaal op gebouwd, een eetzaal, een keuken, een provisiekamer en opslaghutten. Ook het vee werd erop gezet, en soms werd er zelfs een moestuin op aangelegd. Passagiers konden ook meevaren op het vlot. Een compleet, drijvend dorp dus.

Het hele gevaarte werd in Duitsland opgebouwd en zakte dan de Rijn af naar de Hollandse delta. Ze heetten ‘Hollandervlotten’, wat niet naar Nederland verwees, maar naar de lange, rechte stammen waaruit ze bestonden. Zo’n gevaarte de bochten door manoeuvreren was nogal een kunst. Het vlot bestond aan de voorkant uit scharnierende delen, zodat het kon draaien. Met roeispanen en roeiboten werd het op koers gehouden. De vlotten hadden veel bekijks. Soms liep een hele stad uit om een vlot voorbij te zien komen.

Vanaf eind 19e eeuw werden de vlotten steeds vaker gesleept door een stoomschip. In de tweede helft van de twintigste eeuw ging de vlotvaart ter ziele, dat kwam door de komst van betonnen heipalen en andere bouwtechnieken. Het laatste houtvlot kwam in 1967 stroomafwaarts naar Nederland.
